Zoals jullie ongetwijfeld wel weten is het bekende paneel van het Lam Gods ‘ De rechtvaardige rechters’ jaren geleden gestolen. Voor de 4de Van Eyck Challenge werden jullie uitgedaagd om jullie schriftelijke creativiteit boven te halen en een kortverhaal te schrijven over de huidige plaats van het paneel of het verhaal rond de diefstal. Dit is het kortverhaal van Isabelle Cauwels.

Meteen bij het binnenkomen zie ik dat de plaats waar ik gebruikelijk ‘s morgens mijn koffie neem al is ingenomen.   De jonge ouders die aan mijn tafeltje hebben plaatsgenomen doen hard hun best om het ontbijt in het bijzijn van hun twee peuters ordelijk te laten verlopen. Helaas ziet het er nu al naar uit dat ze de klus niet gaan klaren. Met een zucht begeef ik mij richting toonbank. “Goeiemorgen mevrouw, zoals gewoonlijk? Een broodje kaas en koffie?” Ik wil net bevestigend knikken als ik de appelbollen in de koeltoog zie. Mijn god, wat is dat lang geleden. Nu mijn dagelijkse routine toch doorbroken is en ik niet op mijn gebruikelijke plaats kan gaan zitten kan ik evengoed het roer helemaal omgooien. “Geeft u mij vandaag maar eens een appelbol” zeg ik dus en kies het tafeltje dat zich het verst van het worstelende gezin bevindt, helemaal aan de andere kant van de verbruikzaal. Ik kijk op mijn uurwerk. Het zal, in het beste geval,  ongeveer 5 minuten duren voor de koffie zal gebracht worden. In het slechtste geval valt er nu een groepje toeristen de zaak binnen. Het valt me altijd op hoe toeristen die zich in groepen verplaatsen moeite hebben met keuzes maken en de boel hopeloos vertragen. Ik houd de deur dus angstvallig in de gaten en kijk alleen weg om te zien of de dienster de appelbol al uit de toonbank heeft gehaald. Ze zal die toch wel opwarmen?

Na exact zes minuten staan de koffie en de bol voor mij op tafel. Als ik door het luchtige omhulsel heen snijd, moet ik onvermijdelijk aan mijn moeder denken. Als kind kwam ik elke week met haar naar de tearoom naast de kathedraal. In de zomer at ik kaastaart, maar zodra de warme appelbollen op het menu verschenen ging mijn voorkeur uit naar die zalig geurende lekkernij van appel, bladerdeeg, suiker en kaneel, een combinatie waar ik na al die jaren nog steeds niet kan aan weerstaan. Ik moet eraan denken de volgende keer dat ik bij mijn moeder langs ga een appelbol voor haar mee te nemen.

Het gezin met de peuters rekent af. Ik lees nog snel even de koppen van de krant voor ik hun voorbeeld volg. In China maakt een kwaadaardig virus talrijke slachtoffers. Mensen worden verplicht thuis te blijven. In Wuhan is het openbaar leven volledig stilgevallen. Het lijkt me onwaarschijnlijk dat zoiets hier ooit zou voorvallen. Gelukkig is dit Europa.

De meegeleverde rekening vermeldt dat ik vandaag 5 euro 60 moet betalen voor dit uitzonderlijk ontbijt. Met veel plezier tel ik de muntjes na voor ik ze op tafel leg. Het gezin verlaat de zaak, ik kijk nog even om. Verdorie, de laatste 10 cent glipt tussen mijn vingers door en valt op de grond. Ik buk me maar het is te laat. Ik zie het muntje nog net door een kier in de plankenvloer verdwijnen. Als ik me wat verder voorover buig kan ik het misschien nog zien. Het duizelt me. Het muntje is verdwenen maar even lijkt het of ik recht in een oog kijk, een oog dat mij van onder de plankenvloer aankijkt, het oog van een dier, een paard misschien? “Lukt het mevrouw?” vraagt de dienster. “Een paard”, zeg ik. “Er zit een paard onder de vloer.” De dienster lacht. “5 euro 60, dat klopt hoor mevrouw. Tot morgen zeker?” “Jaja”, zeg ik “tot morgen”.