Wat maakt Maarten Van Severen voor mij anders dan iedereen die na hem kwam, in Gent of daarbuiten? Om te beginnen met een kleine overdrijving: ik ben in mijn carrière als interieurontwerper nooit bij een klant binnengegaan met een meubel van Van Severen en er weer mee buitengestapt. Het past namelijk overal: in een krot, in een fermette, in een kasteel, net omdat zijn ontwerpen zo essentieel zijn. 

Maarten Van Severen F88 fauteuil uit 1988.

Neem nu de Sint-Baafskathedraal. Daar staan honderden exemplaren van zijn beroemdste stoel, de .03 voor Vitra uit 1998, in het donkergrijs. Die gotische kerk staat er sinds de middeleeuwen en ademt geschiedenis. Het is de thuis van het Lam Gods, een van de beroemdste schilderijen ter wereld. Wel, de stoel van Van Severen neemt daar niets van af. Hij heeft geen invloed op de architectuur of de kunst, zelfs al dateert het ontwerp van eeuwen later. En zo is er eindelijk ook eens een kerk waar een mooie stoel in staat.

Maarten Van Severen zijn .03 stoel voor Vitra in de Sint-Baafskathedraal in Gent

Proportie is alles

Ik heb Maarten Van Severen zelf nog kort gekend, toen ik achttien jaar was. Dat was via een goede vriend, de kok Stefan Boxy. Stefan wilde een paviljoen naast zijn woonhuis in Deurle (dichtbij Gent) en hij wou dat Van Severen het ontwierp. Maarten was geen architect, maar een goede meubelontwerper is vanzelf een goede architect, denk ik. Iemand die de juiste proportie en functionaliteit vindt in een meubel, heeft ook een totaalbeeld over wat een ruimte moet doen. Daarom heeft hij ook een paar keer met de Nederlandse architect Rem Koolhaas samengewerkt.

Het paviljoen werd een constructie in gelakt staal, een beetje verhoogd en los van de grond, heel transparant, met grote glaspartijen. Maarten was al ziek toen we naar de ruwbouwwerken gingen kijken. Enkel het stalen raamwerk stond er al. Ik herinner mij dat Stefan hem op het einde nog vroeg of hij het niet jammer vond dat hij zijn werk nooit af zou zien. Van Severen antwoordde: “Jawel, het is wel af. Alles staat er. De proporties zijn er.” Voor hem was dat wat ertoe deed, de rest was bijzaak. 

Ook in de Boekentoren vind je Maarten Van Severen zijn bekende .03 stoel terug.
Ik ben in mijn carrière als interieurontwerper nooit bij een klant binnengegaan met een meubel van Van Severen en er weer mee buitengestapt.
Frederic Hooft

Hoe simpeler, hoe moeilijker

Ik heb kort daarna mijn eerste meubel van Van Severen gekocht: de stalen tafel die nog altijd op mijn terras staat. Dat ze buiten staat is van moeten trouwens, want ze is niet demonteerbaar en ik krijg ze door geen enkel raam of deur naar binnen. Vooral bij zijn eerste ontwerpen was hij daar 100% compromisloos in: er mocht geen lasnaad of hechting zichtbaar zijn, dus moest die tafel in één stuk blijven. Hoe eenvoudig ze er ook uitziet, het was hypercomplex om zo’n lang fijn blad te produceren zonder dat het staal ging doorbuigen.

Hoe simpeler hoe moeilijker. Dat gold ook voor zijn zevenvakkenkast voor boeken: geen vijs of verbinding te zien. Daar was lijm uit de auto-industrie voor nodig. Het aluminium ziet er flinterdun uit, maar de kast is loodzwaar en het is niet evident om ze te bevestigen. Eens ze er hangt, is ze wel volmaakt. Het lijkt op een kunstwerk van de minimalistische kunstenaar Donald Judd, en daar wordt Van Severen ook vaak mee vergeleken. Toch is er één cruciaal verschil waar ik altijd op blijf hameren: Van Severen produceerde gebruiksvoorwerpen. Zonder boeken is de kast niet af.

Staal plooit niet, Van Severen evenmin

Dat meubels moeten interageren met mensen, zit mee in zijn ontwerp. De aluminium tafel T88A bijvoorbeeld. Die moesten ze eerst 45 uur schuren, niet machinaal, maar met de hand. Per tafel mocht er ook maar één persoon aan werken, want anders zouden er andere ‘wolkjes’ van het wrijfpatroon in de tafel zichtbaar zijn. Als afwerking kreeg de tafel enkel een laagje sapolie, wat geen vernis is. Krassen zijn dus onvermijdelijk. Voor Van Severen waren de gebruikssporen een deel van het werk. Sommige mensen kopen daarom liefst een tweedehands exemplaar, want het heeft al geleefd. Het is geen onbeschreven blad.

Het oeuvre van Maarten Van Severen is beperkt, hij is ook amper 48 jaar geworden. In het begin werkte hij maar met een paar materialen: aluminium, staal, hout en leer. De prototypes maakte hij in zijn eigen atelier in de Galgenberg in Gent, samen met iedereen die kon helpen met schuren of lassen. Vast personeel had hij niet en hij verkocht ook nauwelijks iets. Wat hij ontwierp, maakte hij volgens mij altijd in eerste instantie voor zichzelf. Ik denk dat hij zelfs zijn beroemde Blue Bench eigenlijk ontwierp om er zelf op te slapen in het atelier.

Van Severen was radicaal en geen gemakkelijke persoon. Hij was totaal geen netwerker, dus het heeft lang geduurd voor hij opgepikt is door de grote merken als Edra, Kartell en Vitra. Die samenwerking heeft hem financieel van de ondergang gered, maar het moet ook lastig geweest zijn voor hem, want industriële productie vraagt op een of andere manier toch altijd om een compromis. De voorlopers van de Vitra 03. stoel, bijvoorbeeld, die waren nog niet van soepel polyurethaan, maar van aluminium en multiplex. Daar moet je eens een paar uur op zitten…

Frederic zijn eerste meubel van Van Severen: een stalen tafel op zijn terras.

Tijd voor chauvinisme in Design Museum Gent

De hang naar zuiverheid en pure proportie zal hij van thuis uit meegekregen hebben. Zijn vader, Dan Van Severen, was een minimalistische schilder die enkel basisvormen gebruikte: een trapezium, een cirkel, een kruis, soms in niet meer dan twee tinten van wit. Ik weet niet of ze een goeie band hadden, maar de essentie leeft zeker door in de ontwerpen van Maarten. Zijn broer Fabiaan werd trouwens ook een ontwerper, en ook de twee zonen van Maarten. Hannes Van Severen runt nu samen met Fien Muller het bureau Muller Van Severen en David het architentenbureau Office KGDVS. De lijn loopt dus nog altijd verder.

Gentenaars zouden veel trotser moeten zijn op al die mensen. Bescheidenheid is sowieso een probleem van ons, Belgen. In het buitenland worden onze designers enorm bewonderd, maar hier zijn het vaak nobele onbekenden. Willy Van Der Meeren, Lucien Engels, Christophe Gevers, Jules Wabbes, Huib Hoste, Emiel Veranneman… Al die ontwerpers hebben hier nooit veel erkenning gekregen. Als sommigen van hen een plek krijgen in het vernieuwde Design Museum, dan is dat dubbel en dik verdiend. Dat Maarten Van Severen er te zien zal zijn, daar maak ik mij geen zorgen over. 

Fre­de­ric Hooft

Frederic Hooft (° 1979) is interieurontwerper. Na één jaar aan de kunstschool hield hij het voor bekeken, omdat hij geen zin had om te luisteren naar iemand die voor hem bepaalde wat er mooi en lelijk was. Van zijn eigen gevoel heeft hij zijn job gemaakt. Met zijn interieurstudio is hij een overtuigde verkoper én verdediger van de naoorlogse Belgische ontwerpers.